Словарь
48 слов · страница 1 из 2
de factuurA2
счёт-фактура
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
de familieA1
семья
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
визит родственников
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
член семьи
Er komt een familielid op bezoek.
de fanA2
фанат, поклонник
Mijn zoon is een grote fan van deze voetballer.
fantastischA2
фантастический, замечательный
We hebben een fantastische vakantie gehad.
favorietA2
любимый
Wat is jouw favoriete gerecht uit je eigen land?
februariA1
февраль
In februari is het meestal koud.
het feestA1
праздник, вечеринка
Zaterdag is er een feest.
de feestdagB1
праздничный день
Op feestdagen zijn de winkels dicht.
het feitA1
факт
Scheid feiten van meningen.
feliciterenB1
feliciteerde · hebben gefeliciteerd
поздравлять
Ik wil je feliciteren met je nieuwe baan.
het festivalA2
фестиваль
Elke zomer is er een festival in het park.
de fietsA2
велосипед
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenA1
fietste · hebben/zijn gefietst
ездить на велосипеде
Ik fiets elke dag naar school.
de fietsenstallingA2
велопарковка
Zet je fiets in de fietsenstalling.
de fietserA2
велосипедист
Let goed op de fietser als je rechts afslaat.
het fietspadB1
велодорожка
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
de fietspompA2
велонасос
Heb je een fietspomp voor me?
de fietsrouteA2
велосипедный маршрут
Deze fietsroute gaat door het bos.
het fietsslotA2
велозамок
Vergeet je fietsslot niet.
de fietstunnelB1
велотоннель
Neem de fietstunnel onder het spoor door.
de fietsveiligheidB1
безопасность велосипедиста
Verlichting is belangrijk voor je fietsveiligheid.
de fietsverhuurA2
прокат велосипедов
Bij het station is een fietsverhuur.
het figuurB1
рисунок, схема; фигура
Kijk naar het figuur op pagina tien van het boek.

