Словарь
50 слов · страница 2 из 2
doeiA1
пока
Doei, tot morgen!
het doekA1
тряпка
Veeg de tafel af met een doek.
het doelA1
цель
Wat is het doel van deze cursus?
doenA1неправильный
deed · deden · hebben gedaan
делать
Wat doe je in het weekend?
de dokterA1
врач
Ik ga morgen naar de dokter.
de donderdagA1
четверг
De les is elke donderdag.
donkerA1
тёмный
In de winter is het om vijf uur al donker.
doorA1
через; из-за
We liepen door het park.
de doosA1
коробка
De boeken zitten in een doos.
het dorpA1
деревня
Zij komt uit een klein dorp.
de dorstA1
жажда
Heb je dorst?
de doucheA1
душ
Ik neem 's ochtends een douche.
dragenA1неправильный
droeg · droegen · hebben gedragen
носить
Hij draagt een zwarte jas.
de drempelA1
порог
Pas op voor de drempel bij de deur.
drieA1
три
De les duurt drie uur.
drinkenA1неправильный
dronk · dronken · hebben gedronken
пить
Wat wil je drinken?
dromenA1
droomde · hebben gedroomd
видеть сны, мечтать
Ik droomde vannacht over mijn familie.
droogA1
сухой
De was is nog niet droog.
de druifA1
виноград
Deze druiven zijn erg zoet.
drukA1
оживлённый, загруженный
Het is druk in de stad.
duidelijkA1
понятный, ясный
Is het nu duidelijk?
duizendA1
тысяча
Er kwamen duizend bezoekers.
dunA1
тонкий
Snijd het brood dun.
durvenA1
durfde · hebben gedurfd
осмеливаться
Ik durf het niet te vragen.
dusA1
значит, поэтому
Het is laat, dus ik ga naar huis.

