Словарь
59 слов · страница 2 из 3
bezetA1
занятый
Deze plaats is bezet.
bezigA1
занят
Ik ben nu even bezig.
het bezoekA1
гости, визит
We krijgen vanavond bezoek.
bijA1
у, около
Ik ben bij de dokter.
bijnaA1
почти
Ik ben bijna klaar.
bijvoorbeeldA1
например
Neem bijvoorbeeld de bus van acht uur.
binnenA1
внутри; в течение
Kom binnen, het is koud buiten.
blauwA1
синий
De lucht is vandaag blauw.
blijA1
радостный
Ik ben blij met het resultaat.
blijvenA1неправильный
bleef · bleven · zijn gebleven
оставаться
Blijf je vanavond eten?
de bloemkoolA1
цветная капуста
Vanavond eten we bloemkool.
het boekA1
книга
Ik lees elke avond een boek.
de boonA1
фасоль, боб
Er staan bonen op het menu.
het bordA1
тарелка
Zet de borden op tafel.
табличка, знак
Op het bord staat dat je hier niet mag parkeren.
de borstA1
грудь
Hij voelt pijn op zijn borst.
de boterA1
масло
Doe wat boter op je brood.
de boterhamA1
бутерброд
Ik neem twee boterhammen mee.
bovenA1
наверху, над
De slaapkamers zijn boven.
breedA1
широкий
Dit is een brede straat.
brengenA1неправильный
bracht · brachten · hebben gebracht
приносить, отвозить
Ik breng de kinderen naar school.
de briefA1
письмо
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
de brievenbusA1
почтовый ящик
Er zit post in de brievenbus.
de brilA1
очки
Zonder bril zie ik niets.
de broekA1
брюки
Deze broek is te lang.
de broerA1
брат
Mijn broer woont in België.

