Je EigenRoute
GirişKayıt ol

Kelime Bilgisi

4334 kelime · sayfa 158 / 174

  • voordatA2

    -meden önce

    Was je handen voordat je gaat eten.

  • het voordeelB1

    avantaj, yarar

    Een voordeel van dit huis is de grote tuin.

  • de voordeurA1

    ön kapı

    De voordeur zit op slot.

  • zich voordoenB1ayrılabilirdönüşlüdüzensiz

    deed voor · deden voor · hebben voorgedaan

    ortaya çıkmak (durum)

    Als zich een probleem voordoet, bel ons dan.

  • voorgaanB1ayrılabilirdüzensiz

    ging voor · gingen voor · zijn voorgegaan

    önden gitmek; öncelikli olmak

    Gaat u maar voor, ik wacht wel even.

  • de voorgangerB1

    selef, önceki

    De nieuwe directeur is jonger dan zijn voorganger.

  • het voorgerechtA2

    başlangıç yemeği

    Als voorgerecht nemen we soep.

  • voorheenB1

    önceleri

    Voorheen was hier een school, nu zijn het woningen.

  • voorinB1

    önde, ön koltukta

    Mag ik voorin zitten, naast de chauffeur?

  • het voorjaarB1

    bahar

    In het voorjaar gaan we de tuin opknappen.

  • de voorkantA2

    ön taraf

    Aan de voorkant van het huis is een kleine tuin.

  • de voorkeurB1

    tercih

    Mijn voorkeur gaat uit naar een afspraak in de ochtend.

  • voorkomenA1ayrılabilirdüzensiz

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    meydana gelmek, görülmek

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • voorkómenA2düzensiz

    voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen

    önlemek

    Met een goede planning voorkom je veel stress.

  • voorlezenA2ayrılabilirdüzensiz

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    sesli okumak

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • de voorlichtingB1

    bilgilendirme

    De gemeente geeft voorlichting over afvalscheiding.

  • voorlopigB1

    geçici; şimdilik

    Voorlopig blijf ik bij mijn ouders wonen.

  • de voornaamA1

    ad, ilk ad

    Vul hier je voornaam en achternaam in.

  • voornamelijkB1

    başlıca

    In deze wijk wonen voornamelijk jonge gezinnen met kinderen.

  • het voornemenB1

    niyet

    Zijn goede voornemen hield twee weken stand.

  • het vooroordeelB1

    önyargı

    Vooroordelen verdwijnen niet vanzelf.

  • vooropB1

    önde

    Bij de wandeling lopen de kleinste kinderen voorop.

  • de voorraadA2

    stok

    We hebben het niet meer op voorraad.

  • de voorraadkastA2

    kiler

    Het meel staat in de voorraadkast.

  • de voorrangB1

    geçiş önceliği

    Fietsers hebben hier voorrang.