Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

425 palabras · página 9 de 17

  • moetenA1

    tener que

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1

    poder (permiso)

    Mag ik hier zitten?

  • motiverenB1

    motivar

    De docent weet studenten goed te motiveren.

  • naarA1

    a, hacia

    Ik ga naar mijn werk.

  • nadenkenA2

    reflexionar

    Ik moet er nog even over nadenken.

  • nastrevenB2

    perseguir (un fin)

    Welk doel streef je precies na?

  • navragenB1

    consultar, averiguar

    Ik zal het even navragen bij de gemeente.

  • nemenA1

    tomar

    Ik neem de trein van acht uur.

  • notulerenB2

    levantar acta

    Wie gaat er vandaag notuleren?

  • nuancerenB2

    matizar

    Ik wil die uitspraak wel nuanceren.

  • oefenenB1

    practicar

    Je moet elke dag oefenen.

  • onderbouwenB2

    fundamentar

    Kun je die stelling onderbouwen met cijfers?

  • onderbrekenB2

    interrumpir

    Laat hem uitspreken en onderbreek hem niet.

  • onderduikenB2

    esconderse

    Duizenden mensen moesten onderduiken.

  • onderhandelenB1

    negociar

    We onderhandelen nog over de prijs.

  • onderscheidenB2

    distinguir

    Onderscheid feiten van meningen.

  • ondertekenenA2

    firmar

    Onderteken het contract onderaan.

  • ondertitelenB2

    subtitular

    Nederlandse films worden zelden ondertiteld.

  • onderzoekenB2

    investigar

    Journalisten onderzoeken de zaak nog.

  • ontbijtenA2

    desayunar

    Wij ontbijten om zeven uur.

  • ontdekkenA2

    descubrir

    Ik ontdekte een fout in het formulier.

  • ontdooienB2

    descongelar

    Laat vlees in de koelkast ontdooien.

  • onthoudenA2

    recordar, memorizar

    Ik kan die naam nooit onthouden.

  • ontkennenB2

    negar

    Hij bleef alles ontkennen.

  • ontmoetenA2

    conocer, encontrarse con

    Ik heb haar op een cursus ontmoet.