Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
425 palabras · página 7 de 17
inschrijvenB1
inscribirse
Je kunt je online inschrijven voor de cursus.
instappenA2
subir (a un vehículo)
U kunt achterin instappen.
instemmenB1
estar de acuerdo
De meerderheid stemde met het voorstel in.
interpreterenB2
interpretar
Deze zin is op twee manieren te interpreteren.
investerenB2
invertir
De overheid investeert in nieuwe woningen.
invoerenB2
implantar
De nieuwe wet wordt volgend jaar ingevoerd.
invullenA2
rellenar
Vul het formulier volledig in.
inwerkenB1
formar (a un nuevo empleado)
Een collega werkt je de eerste week in.
irriterenB2
irritar
Dat geluid irriteert mij mateloos.
kamperenB1
acampar
We gaan deze zomer kamperen in Frankrijk.
kennenA1
conocer
Ken je die man?
kiemenB2
germinar
De zaden kiemen na een week.
kiezenA2
elegir
Je moet zelf kiezen.
kijkenA2
mirar, ver
We kijken vanavond naar een film.
klaarmakenA2
preparar
Ik maak het eten klaar.
klagenB1
quejarse
De buren klagen over het lawaai.
kloppenA2
ser correcto; llamar a la puerta
Klopt dit adres?
knikkenB2
asentir con la cabeza
Hij knikte instemmend.
koesterenB2
atesorar
Zij koestert de herinnering aan die zomer.
kokenA2
cocinar
Wie kookt er vanavond?
komenA1
venir
Kom je vanavond ook?
kopenA1
comprar
Ik koop brood bij de bakker.
krijgenA1
recibir
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1
poder
Kun je mij helpen?
kwetsenB2
herir
Die opmerking kwetste haar diep.

