Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
425 palabras · página 5 de 17
durvenA1
atreverse
Ik durf het niet te vragen.
dweilenA2
fregar el suelo
De vloer moet nog gedweild worden.
eisenB2
exigir
De bond eist een hoger loon.
ergerenB2
molestarse
Zij ergert zich aan het lawaai.
erkennenB2
reconocer
De minister erkende de fout.
ervarenB2
experimentar
Veel mensen ervaren het examen als stressvol.
evaluerenB2
evaluar
Aan het eind evalueren we het project.
feliciterenB1
felicitar
Ik wil je feliciteren met je nieuwe baan.
fietsenA1
ir en bici
Ik fiets elke dag naar school.
formulerenB2
formular
Probeer je vraag anders te formuleren.
fotograferenB1
fotografiar
Zij fotografeert graag oude gebouwen.
fronsenB2
fruncir el ceño
Zij fronste haar wenkbrauwen.
functionerenB1
desempeñarse
Hij functioneert goed in het team.
fuserenB2
fusionarse
De twee scholen gaan fuseren.
gaanA1
ir
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gapenB2
bostezar
Halverwege de lezing begon hij te gapen.
gebeurenA2
ocurrir
Wat is er gebeurd?
gebruikenA2
usar
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2
regir, aplicarse
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
creer
Ik geloof je wel.
generaliserenB2
generalizar
Je kunt dat niet zomaar generaliseren.
genezenA2
curar(se)
De wond is goed genezen.
genietenB1
disfrutar
Ik geniet van het rustige weekend.
geruststellenB2
tranquilizar
De arts stelde de ouders gerust.
gevenA1
dar
Geef mij het zout, alsjeblieft.

