Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
425 palabras · página 4 de 17
chippenB2
poner el microchip
Elke hond moet gechipt zijn.
concluderenB2
concluir
Daaruit kunnen we concluderen dat het beleid werkt.
constaterenB2
constatar
De arts constateerde een lichte ontsteking.
controlerenA2
comprobar
Controleer je gegevens voordat je verstuurt.
coördinerenB2
coordinar
Zij coördineert het hele project.
dansenA2
bailar
Op het feest werd er gedanst.
deelnemenB1
participar
Iedereen kan aan de cursus deelnemen.
delegerenB1
delegar
Een goede leidinggevende kan delegeren.
delenA1
compartir, dividir
We delen de kosten samen.
denkenA1
pensar
Ik denk dat het goed komt.
doenA1
hacer
Wat doe je in het weekend?
doorgevenB1
transmitir
Kun je dat aan je collega doorgeven?
doorgroeienB2
progresar profesionalmente
Binnen dit bedrijf kun je snel doorgroeien.
doorschakelenB2
pasar la llamada
Ik schakel u door naar mijn collega.
doorstaanB2
sobrellevar
Hij heeft een zware periode doorstaan.
doorverbindenB1
pasar la llamada
Ik verbind u door met de juiste afdeling.
doorverwijzenB1
derivar
De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.
doorvragenB2
repreguntar
Door goed door te vragen kwam de waarheid boven.
doublerenB2
repetir el curso
Hij moest de derde klas doubleren.
downloadenA2
descargar
Download de app op je telefoon.
dragenA1
llevar (puesto); cargar
Hij draagt een zwarte jas.
dreigenB2
amenazar
Hij dreigde met een rechtszaak.
drinkenA1
beber
Wat wil je drinken?
dromenA1
soñar
Ik droomde vannacht over mijn familie.
durenA2
durar
Hoe lang duurt de les?

