Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
425 palabras · página 2 de 17
afrekenenA2
pagar (en caja)
Ik ga even afrekenen.
afsprekenB1
quedar, acordar
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
afstuderenB2
graduarse
Zij hoopt in juni af te studeren.
afwassenA2
fregar los platos
Wie wast er vanavond af?
afwijzenB1
rechazar, denegar
Mijn aanvraag is afgewezen.
ambiërenB2
ambicionar
Hij ambieert een leidinggevende functie.
analyserenB2
analizar
Analyseer de grafiek in drie zinnen.
antwoordenA2
responder
Hij antwoordde niet op mijn vraag.
automatiserenB2
automatizar
Veel administratief werk is geautomatiseerd.
bakkenA2
freír, hornear
Ik bak een ei voor het ontbijt.
bedankenA2
agradecer
Ik wil je bedanken voor je hulp.
bedervenA2
estropearse
Vlees bederft snel in de warmte.
bedoelenB1
querer decir
Wat bedoel je precies?
beginnenA2
empezar
De les begint om negen uur.
begrijpenB1
entender
Ik begrijp de vraag niet helemaal.
bekritiserenB2
criticar
De pers bekritiseerde het besluit scherp.
belevenB2
vivir (una experiencia)
Iedereen beleeft zo'n dag anders.
belovenB1
prometer
Hij beloofde het morgen af te maken.
bemiddelenB2
mediar
Een collega bemiddelde in het conflict.
benaderenB1
dirigirse a
U kunt ons per e-mail benaderen.
benadrukkenB2
subrayar
Zij benadrukte het belang van goede afspraken.
benijdenB2
envidiar
Ik benijd haar rust niet weinig.
beogenB2
pretender
De wet beoogt meer duidelijkheid.
beoordelenB2
calificar
De docent beoordeelt het werk anoniem.
bepalenA2
determinar
Jij mag bepalen waar we eten.

