Vocabulario
Filtros2
Secciones
Categorías gramaticales
16 palabras · página 1 de 1
zaaienB2
sembrar
In maart kun je al zaaien.
zakkenB1
suspender
Hij is helaas gezakt voor het examen.
zeggenA1
decir
Wat zei je?
zettenA1
poner (de pie)
Zet de stoel bij het raam.
ziekmeldenA2
avisar de baja por enfermedad
Je moet je voor negen uur ziekmelden.
zienA1
ver
Ik zie je morgen.
zijnA1
ser, estar
Ik ben blij dat je er bent.
zingenA2
cantar
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1
estar sentado
Zij zit op de bank.
zittenblijvenB2
repetir curso
Zittenblijven helpt niet altijd.
zoekenA2
buscar
Ik zoek mijn sleutels.
zorgenA2
encargarse; cuidar
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zuchtenB2
suspirar
Hij zuchtte diep en zei niets.
zullenA1
ir a (futuro)
Zullen we koffie drinken?
zwemmenB1
nadar
Ik ga twee keer per week zwemmen.
zwetenB2
sudar
Van de spanning begon hij te zweten.

