Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

20 palabras · página 1 de 1

  • tankenB1

    repostar

    Ik moet nog even tanken.

  • tegensprekenB2

    contradecir

    Die cijfers spreken elkaar tegen.

  • tekenenA2

    dibujar

    Mijn dochter tekent graag.

  • tellenA1

    contar

    Kun je tot tien tellen in het Nederlands?

  • terugbellenB1

    devolver la llamada

    Kunt u mij vanmiddag terugbellen?

  • terugbetalenA2

    devolver (dinero)

    Ik betaal je volgende week terug.

  • terugkomenA2

    volver

    Hij komt volgende week terug.

  • thuisblijvenA2

    quedarse en casa

    Ik blijf vandaag thuis.

  • thuiswerkenB2

    teletrabajo

    Twee dagen thuiswerken is nu normaal.

  • toegevenB1

    admitir

    Ze gaf toe dat ze fout zat.

  • toelichtenB2

    explicar en detalle

    Kunt u uw standpunt toelichten?

  • toepassenB2

    aplicar

    Pas de regel toe op deze zin.

  • toestaanA2

    permitir

    Honden zijn hier niet toegestaan.

  • trainenB1

    entrenar

    Wij trainen twee keer per week.

  • trakterenA2

    invitar (a algo)

    Op je verjaardag trakteer je op gebak.

  • trillenB2

    temblar

    Zijn handen trilden van de zenuwen.

  • troostenB2

    consolar

    Ze troostte haar dochter na de uitslag.

  • trouwenA1

    casarse

    Zij gaan in juni trouwen.

  • tuinierenB1

    hacer jardinería

    In het voorjaar ga ik graag tuinieren.

  • twijfelenB2

    dudar

    Ik twijfel nog over die opleiding.