Vocabulario
Filtros2
Secciones
Categorías gramaticales
42 palabras · página 2 de 2
ophalenA2
recoger
Ik haal je om zeven uur op.
oplettenA2
prestar atención
Let goed op bij het oversteken.
opluchtenB2
aliviar
De uitslag luchtte hem enorm op.
opmerkenB2
señalar
Zij merkte terecht op dat de cijfers oud zijn.
opruimenA2
ordenar
Ruim je spullen even op.
optimaliserenB2
optimizar
Het proces is verder geoptimaliseerd.
opvallenA2
llamar la atención
Het valt me op dat je beter spreekt.
opwarmenA2
calentar
Warm het eten even op in de magnetron.
opzeggenA2
rescindir, cancelar
Ik wil mijn contract opzeggen.
opzoekenA2
buscar (consultar)
Zoek het woord even op.
ordenenB2
ordenar
Orden de gegevens per jaar.
overboekenB1
transferir
Ik heb het bedrag gisteren overgeboekt.
overdrijvenB2
exagerar
Hij overdrijft het probleem een beetje.
overleggenB1
consultar
Ik moet eerst met mijn collega overleggen.
overstappenA2
hacer transbordo
In Utrecht moet je overstappen.
overstekenB1
cruzar
Steek hier voorzichtig over.
overtuigenB2
convencer
Hij wist iedereen te overtuigen.

