Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

14 palabras · página 1 de 1

  • mailenA2

    enviar un correo

    Ik mail je de documenten vanavond.

  • makenA1

    hacer, fabricar

    Ik maak het eten klaar.

  • marinerenB2

    marinar

    Marineer de kip een nacht.

  • meedelenB1

    comunicar

    Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.

  • meedoenA2

    participar

    Doe je mee met de cursus?

  • meemakenA2

    vivir (una experiencia)

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2

    llevar consigo

    Neem je paspoort mee.

  • meldenB1

    notificar

    U moet een verhuizing melden bij de gemeente.

  • merkenA2

    notar

    Ik merk dat het beter gaat.

  • metselenB2

    poner ladrillos

    Hij leerde metselen op de vakschool.

  • missenA2

    perder; echar de menos

    Ik heb de bus gemist.

  • moetenA1

    tener que

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1

    poder (permiso)

    Mag ik hier zitten?

  • motiverenB1

    motivar

    De docent weet studenten goed te motiveren.