Vocabulario
Filtros2
Secciones
Categorías gramaticales
16 palabras · página 1 de 1
kamperenB1
acampar
We gaan deze zomer kamperen in Frankrijk.
kennenA1
conocer
Ken je die man?
kiemenB2
germinar
De zaden kiemen na een week.
kiezenA2
elegir
Je moet zelf kiezen.
kijkenA2
mirar, ver
We kijken vanavond naar een film.
klaarmakenA2
preparar
Ik maak het eten klaar.
klagenB1
quejarse
De buren klagen over het lawaai.
kloppenA2
ser correcto; llamar a la puerta
Klopt dit adres?
knikkenB2
asentir con la cabeza
Hij knikte instemmend.
koesterenB2
atesorar
Zij koestert de herinnering aan die zomer.
kokenA2
cocinar
Wie kookt er vanavond?
komenA1
venir
Kom je vanavond ook?
kopenA1
comprar
Ik koop brood bij de bakker.
krijgenA1
recibir
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1
poder
Kun je mij helpen?
kwetsenB2
herir
Die opmerking kwetste haar diep.

