Vocabulario
18 palabras · página 1 de 1
het jaarA1
año
Een jaar heeft twaalf maanden.
de jaarafrekeningB2
liquidación anual
Bij de jaarafrekening krijg je geld terug of moet je bijbetalen.
de jaaropgaveB1
certificado anual de ingresos
Bewaar je jaaropgave voor de belastingaangifte.
de jaarrekeningB2
cuentas anuales
De jaarrekening wordt in mei gepubliceerd.
de jaloezieB2
celos
Jaloezie is zelden een goede raadgever.
de jamA1
mermelada
Ik eet brood met jam.
januariA1
enero
Mijn cursus begint in januari.
het jargonB2
jerga
Vermijd jargon als je publiek breed is.
de jasA1
abrigo
Doe je jas aan, het is koud.
de jeugdB1
juventud, infancia
In mijn jeugd speelde ik altijd buiten op straat.
de jeugdzorgB2
protección a la infancia
De jeugdzorg kent lange wachtlijsten.
de jongenA1
chico
Die jongen is mijn zoon.
de journalistA2
periodista
De journalist sprak met meerdere getuigen.
de journalistiekB2
periodismo
Onafhankelijke journalistiek is onmisbaar.
het jubileumB1
aniversario
De vereniging viert haar vijftigjarig jubileum.
juliA1
julio
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
junio
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
vestido
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.

