Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

21 palabras · página 1 de 1

  • zich haastenB1reflexivo

    haastte · hebben gehaast

    darse prisa

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.

  • halenA1

    haalde · hebben gehaald

    ir a buscar

    Ik haal even brood.

  • hangenA2irregular

    hing · hingen · hebben gehangen

    colgar

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hardlopenB1separableirregular

    liep hard · liepen hard · hebben hardgelopen

    correr (deporte), hacer footing

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • hatenA1

    haatte · hebben gehaat

    odiar

    Hij haat vergaderingen.

  • hebbenA1irregular

    had · hadden · hebben gehad

    tener

    Wij hebben twee kinderen.


    (auxiliar del pretérito perfecto: haber)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.

  • helpenA1irregular

    hielp · hielpen · hebben geholpen

    ayudar

    Kun je me even helpen?

  • herhalenB1

    herhaalde · hebben herhaald

    repetir

    Kunt u dat herhalen, alstublieft?

  • zich herinnerenA2reflexivo

    herinnerde · hebben herinnerd

    recordar

    Ik herinner me haar naam niet meer.

  • herkennenA2

    herkende · hebben herkend

    reconocer (identificar)

    Ik herkende hem meteen.

  • herstellenB1

    herstelde · zijn hersteld

    recuperarse

    Hij is goed hersteld na de operatie.

  • hetenA1irregular

    heette · heetten · hebben geheten

    llamarse

    Hoe heet jij?

  • hoestenA2

    hoestte · hebben gehoest

    toser

    Het kind hoest de hele nacht.

  • hoevenA2irregular

    hoefde · hoefden · hebben gehoeven

    no hacer falta

    Je hoeft morgen niet naar school te komen.

  • hopenA1

    hoopte · hebben gehoopt

    esperar (desear)

    Ik hoop dat het lukt.

  • horenA1

    hoorde · hebben gehoord

    oír

    Ik hoor je niet goed.


    pertenecer a, formar parte de

    Deze oefening hoort bij hoofdstuk drie.

  • houdenA1irregular

    hield · hielden · hebben gehouden

    sostener; gustar (van)

    Ik houd van koffie.

  • huilenA1

    huilde · hebben gehuild

    llorar

    De baby huilt de hele nacht.

  • huiverenB2

    huiverde · hebben gehuiverd

    estremecerse

    Bij die gedachte huiver ik.

  • hunkerenB2

    hunkerde · hebben gehunkerd

    anhelar

    Hij hunkert naar rust.

  • hurenA2

    huurde · hebben gehuurd

    alquilar

    Wij huren een appartement van een woningcorporatie.