Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

17 palabras · página 1 de 1

  • halenA2

    ir a buscar

    Ik haal even brood.

  • hardlopenB1

    correr

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • hatenB2

    odiar

    Hij haat vergaderingen.

  • hebbenA1

    tener

    Wij hebben twee kinderen.

  • helpenA2

    ayudar

    Kun je me even helpen?

  • herhalenB1

    repetir

    Kunt u dat herhalen, alstublieft?

  • herinnerenA2

    recordar

    Ik herinner me haar naam niet meer.

  • herkennenA2

    reconocer

    Ik herkende hem meteen.

  • herstellenB1

    recuperarse

    Hij is goed hersteld na de operatie.

  • hetenA1

    llamarse

    Hoe heet jij?

  • hoestenA2

    toser

    Het kind hoest de hele nacht.

  • hopenA1

    esperar (desear)

    Ik hoop dat het lukt.

  • horenA1

    oír

    Ik hoor je niet goed.

  • houdenA1

    sostener; gustar (van)

    Ik houd van koffie.

  • huilenA1

    llorar

    De baby huilt de hele nacht.

  • huiverenB2

    estremecerse

    Bij die gedachte huiver ik.

  • hunkerenB2

    anhelar

    Hij hunkert naar rust.