Woordenschat
Filters2
Onderwerpen
30 woorden · pagina 1 van 2
samenlevenB1
to live together, coexist
Samenleven met verschillende culturen vraagt inzet.
samenvattenB2
to summarise
Kun je het kort samenvatten?
samenwerkenB1
to collaborate
We moeten beter samenwerken.
samenwonenB2
to live together
Zij gaan volgend jaar samenwonen.
schaatsenB2
ice skating
Bij vorst gaat iedereen schaatsen.
scheidenA1
to divorce
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2
to clean
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA2
to write
Schrijf je naam op het formulier.
slagenB1
to pass (an exam)
Zij is voor het examen geslaagd.
slapenA2
to sleep
Ik heb slecht geslapen.
slikkenB2
to swallow
Zij slikte even voordat ze antwoordde.
sluitenA1
to close
De deur sluit automatisch.
snijdenA2
to cut
Snijd de groente in kleine stukjes.
snoeienB2
to prune
De struiken moeten gesnoeid worden.
solliciterenB1
to apply for a job
Ik heb op drie vacatures gesolliciteerd.
sparenA2
to save (money)
We sparen voor een nieuwe auto.
spelenA1
to play
De kinderen spelen in de tuin.
spijbelenB2
to play truant
Hij spijbelde twee weken lang.
sprekenA2
to speak
Spreekt u Nederlands?
springenA1
to jump
Hij sprong over de sloot.
staanA1
to stand
De auto staat voor het huis.
standaardiserenB2
to standardise
We willen de werkwijze standaardiseren.
starenB2
to stare
Zij staarde uit het raam.
stemmenB1
to vote
Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.
stofzuigenA2
to vacuum
Ik stofzuig één keer per week.

