Woordenschat
26 woorden · pagina 1 van 2
saamhorigheidB2
togetherness, solidarity
Na de ramp groeide de saamhorigheid in het dorp.
samenwonenB2
to live together
Zij gaan volgend jaar samenwonen.
sarcasmeB2
sarcasm
Het sarcasme droop van zijn opmerking af.
sceptischB2
sceptical
Veel experts zijn sceptisch over die aanpak.
schaamteB2
shame
Hij voelde schaamte over zijn fout.
schaterlachB2
roar of laughter
Er ging een schaterlach door de zaal.
schokkendB2
shocking
De cijfers zijn ronduit schokkend.
schrikB2
fright, shock
Van de schrik liet zij het glas vallen.
schroomB2
reticence, diffidence
Zij sprak zonder schroom over haar fouten.
schuldbewustB2
guilty-looking, contrite
Hij keek schuldbewust naar de grond.
schuldgevoelB2
feeling of guilt
Hij had een schuldgevoel over zijn beslissing.
slikkenB2
to swallow
Zij slikte even voordat ze antwoordde.
somberA2
gloomy, low
In november voel ik me vaak somber.
somberheidB2
gloominess
De somberheid verdween met het voorjaar.
spannendB2
exciting, nerve-racking
Het examen vond hij vooral spannend.
spanningB2
tension
Er hing spanning in de kamer.
spijtB2
regret
Ik heb spijt van die opmerking.
spijtgevoelB2
feeling of regret
Achteraf hield hij een spijtgevoel over.
spontaniteitB2
spontaneity
Zijn spontaniteit maakt hem geliefd.
spotB2
mockery
Hij dreef de spot met zijn eigen fouten.
sprakeloosB2
speechless
Het nieuws maakte ons sprakeloos.
standvastigB2
steadfast
Hij bleef standvastig ondanks de kritiek.
starenB2
to stare
Zij staarde uit het raam.
stemmingB2
mood, atmosphere
De stemming in de zaal sloeg om.
stemmingswisselingB2
mood swing
Stemmingswisselingen horen bij de puberteit.

