Woordenschat
10 woorden · pagina 1 van 1
wachtenA2
to wait
Ik wacht al een half uur.
wandelenA1
to walk, to stroll
We gaan zondag wandelen.
wassenA2
to wash
Ik moet nog kleren wassen.
weggaanA2
to leave
Wanneer ga je weg?
weggooienA2
to throw away
Gooi het oude papier weg.
werkenA1
to work
Zij werkt in een ziekenhuis.
wetenA1
to know (a fact)
Ik weet het niet.
willenA1
to want
Ik wil graag koffie.
wonenA1
to live, to reside
Wij wonen in Utrecht.
wordenA2
to become
Hij wil dokter worden.

