Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

396 palabras · página 1 de 16

  • aardappelA1

    patata

    We eten vanavond aardappelen.

  • aardbeiA1

    fresa

    In juni zijn de aardbeien het lekkerst.

  • achterA1

    detrás

    De tuin ligt achter het huis.

  • achterdeurA1

    puerta trasera

    Via de achterdeur kom je in de tuin.

  • ademA1

    aliento

    Haal even diep adem.

  • adresA1

    dirección

    Schrijf hier je adres op.

  • allebeiA1

    ambos

    Wij werken allebei fulltime.

  • allemaalA1

    todos

    We gaan allemaal mee.

  • apartA1

    por separado

    We betalen apart.

  • appelA1

    manzana

    Ik neem een appel mee naar mijn werk.

  • aprilA1

    abril

    In april bloeien de bloemen.

  • armA1

    brazo

    Mijn arm is stijf.

  • augustusA1

    agosto

    Augustus is vaak de warmste maand.

  • autoA1

    coche

    Onze auto staat voor de deur.

  • avondA1

    noche (temprana)

    's Avonds kijk ik televisie.

  • azijnA1

    vinagre

    Doe wat azijn in de salade.

  • babyA1

    bebé

    De baby slaapt nu.

  • badkamerA1

    cuarto de baño

    De badkamer is boven.

  • banaanA1

    plátano

    Wil je een banaan?

  • batterijA1

    pila

    De batterij is leeg.

  • bedA1

    cama

    Ik ga vroeg naar bed.

  • beenA1

    pierna

    Hij heeft zijn been gebroken.

  • belA1

    timbre

    De bel doet het niet.

  • beterA1

    mejor

    Ik voel me vandaag al beter.

  • bezemA1

    escoba

    Pak even de bezem.