Vocabulario
396 palabras · página 9 de 16
matrasA1
colchón
Dit matras is te zacht voor mij.
meelA1
harina
Voor dit recept heb je meel nodig.
meerA1
más
Ik heb meer tijd nodig.
meesteA1
la mayoría
De meeste mensen komen met de fiets.
meiA1
mayo
Mijn verjaardag is in mei.
meisjeA1
chica
Het meisje speelt buiten.
melkA1
leche
Wil je melk in je koffie?
mensA1
persona
Hij is een aardig mens.
mensenA1
gente
Er waren veel mensen op het feest.
mesA1
cuchillo
Dit mes is niet scherp.
middagA1
tarde
We eten om twaalf uur 's middags.
middernachtA1
medianoche
De trein rijdt tot middernacht.
minderA1
menos
Ik werk nu minder uren.
minuutA1
minuto
Wacht even, nog één minuut.
moederA1
madre
Mijn moeder woont in Utrecht.
momentA1
momento
Een moment, ik kom eraan.
mondA1
boca
Doe je mond open, zegt de tandarts.
muurA1
pared
Aan de muur hangt een schilderij.
muziekA1
música
Ik luister graag naar muziek.
naamA1
nombre
Wat is jouw naam?
naastA1
al lado de
Hij zit naast mij.
nachtA1
noche
Vannacht heb ik slecht geslapen.
nagelA1
uña
Mijn nagels zijn te lang.
natA1
mojado
Mijn jas is helemaal nat.
neefA1
primo, sobrino
Mijn neef is even oud als ik.

