Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
277 palabras · página 8 de 12
rekenenA2
calcular
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
remmenB1
frenar
Bij regen moet je eerder remmen.
rennenA1
correr
De kinderen rennen door de tuin.
reserverenB1
reservar
Je moet vooraf een plaats reserveren.
retournerenA2
devolver
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
rijdenA2
conducir, ir en
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1
llamar, gritar
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
remover
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
rokenB1
fumar
Roken is hier niet toegestaan.
ruikenA2
oler
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
cambiar
Kan ik deze jas ruilen?
samenlevenB1
convivir
Samenleven met verschillende culturen vraagt inzet.
samenwerkenB1
colaborar
We moeten beter samenwerken.
scheidenA1
divorciarse
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2
limpiar
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA2
escribir
Schrijf je naam op het formulier.
slagenB1
aprobar
Zij is voor het examen geslaagd.
slapenA2
dormir
Ik heb slecht geslapen.
sluitenA1
cerrar
De deur sluit automatisch.
snijdenA2
cortar
Snijd de groente in kleine stukjes.
solliciterenB1
solicitar empleo
Ik heb op drie vacatures gesolliciteerd.
sparenA2
ahorrar
We sparen voor een nieuwe auto.
spelenA1
jugar
De kinderen spelen in de tuin.
sprekenA2
hablar
Spreekt u Nederlands?
springenA1
saltar
Hij sprong over de sloot.

