Vocabulario
1230 palabras · página 6 de 50
bloemkoolA1
coliflor
Vanavond eten we bloemkool.
boekA1
libro
Ik lees elke avond een boek.
bonA2
recibo
Bewaar de bon voor de garantie.
boodschappenA2
compras (de comida)
Ik doe zaterdag boodschappen.
boodschappenlijstjeA2
lista de la compra
Ik maak altijd een boodschappenlijstje.
boodschappentasA2
bolsa de la compra
Neem je eigen boodschappentas mee.
boonA1
judía
Er staan bonen op het menu.
boosA2
enfadado
Hij was boos op zijn collega.
bordA1
plato
Zet de borden op tafel.
borgA2
fianza
De borg krijg je later terug.
borstA1
pecho
Hij voelt pijn op zijn borst.
boterA1
mantequilla
Doe wat boter op je brood.
boterhamA1
rebanada de pan
Ik neem twee boterhammen mee.
bovenA1
arriba
De slaapkamers zijn boven.
bovendienA2
además
Het is duur en bovendien ver weg.
breedA1
ancho
Dit is een brede straat.
brengenA2
llevar, traer
Ik breng de kinderen naar school.
briefA1
carta
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
brievenbusA1
buzón
Er zit post in de brievenbus.
brilA1
gafas
Zonder bril zie ik niets.
broekA1
pantalón
Deze broek is te lang.
broerA1
hermano
Mijn broer woont in België.
broodA1
pan
Ik eet elke ochtend brood.
brugA2
puente
De brug is open voor een boot.
bruinA1
marrón
Ik eet liever bruin brood.

