Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
1493 palabras · página 59 de 60
yoghurtA1
yogur
Ik eet yoghurt bij het ontbijt.
zachtA1
blando, suave
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
bolsillo; bolsa
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zalfA2
pomada
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
zaterdagA1
sábado
Op zaterdag doe ik boodschappen.
zebrapadA2
paso de cebra
Steek over bij het zebrapad.
zeeB1
mar
De zee is vandaag onrustig.
zeepA1
jabón
Was je handen met zeep.
zekerA2
seguro
Weet je dat zeker?
zelfA1
mismo
Dat heb ik zelf gemaakt.
zelfstandigheidB1
autonomía
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
zelfstudieB1
autoaprendizaje
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
ziekA1
enfermo
Ik ben vandaag ziek.
ziekenhuisA2
hospital
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
ziekenhuisbezoekB1
visita al hospital
Het ziekenhuisbezoek duurde twee uur.
ziekenhuisopnameB1
ingreso hospitalario
Een ziekenhuisopname was niet nodig.
ziekmeldingB1
aviso de baja
Doe je ziekmelding voor negen uur.
ziekteA1
enfermedad
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
ziektebeeldB1
cuadro clínico
Dit ziektebeeld komt vaker voor bij ouderen.
ziektekostenB1
gastos médicos
De ziektekosten worden grotendeels vergoed.
ziektekostenvergoedingB1
reembolso de gastos médicos
Vraag na of je ziektekostenvergoeding krijgt.
zolderA1
desván
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
verano
In de zomer gaan we naar het strand.
zonB1
sol
De zon schijnt eindelijk.
zondagA1
domingo
Zondag zijn veel winkels dicht.

