Vocabulario
804 palabras · página 5 de 33
broodA1
pan
Ik eet elke ochtend brood.
brugA2
puente
De brug is open voor een boot.
bruinA1
marrón
Ik eet liever bruin brood.
budgetA2
presupuesto
Mijn budget voor deze maand is op.
buikA1
barriga
Ik heb buikpijn.
buikpijnA2
dolor de barriga
Het kind heeft buikpijn.
buitenlampA1
luz exterior
De buitenlamp gaat automatisch aan.
buitenruimteA2
espacio exterior
De woning heeft geen buitenruimte.
burenA2
vecinos
Onze buren zijn erg vriendelijk.
busA2
autobús
De bus stopt voor het station.
bushokjeA2
marquesina
We schuilden in het bushokje voor de regen.
buspasA2
abono de autobús
Met een buspas reis je goedkoper.
buurmanA1
vecino
De buurman helpt ons vaak.
buurvrouwA1
vecina
De buurvrouw past op de kinderen.
champignonA1
champiñón
In de saus zitten champignons.
chauffeurA2
conductor
Vraag het even aan de chauffeur.
chocoladeA1
chocolate
Zij houdt van donkere chocolade.
cijferlijstA2
lista de notas
Op de cijferlijst staan al je resultaten.
citroenA1
limón
Doe wat citroen in het water.
collegaA2
colega
Mijn collega helpt mij graag.
computerA1
ordenador
Mijn computer is heel langzaam.
conducteurA2
revisor
De conducteur controleerde de kaartjes.
contantA2
en efectivo
Wij nemen geen contant geld aan.
contractA2
contrato
Ik heb het contract nog niet getekend.
cursusgeldA2
matrícula del curso
Het cursusgeld betaal je vooraf.

