Vocabulario
1230 palabras · página 49 de 50
zesA1
seis
We eten om zes uur.
zestigA1
sesenta
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
poner (de pie)
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
siete
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
setenta
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
ziekA1
enfermo
Ik ben vandaag ziek.
ziekenhuisA2
hospital
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
ziekmeldenA2
avisar de baja por enfermedad
Je moet je voor negen uur ziekmelden.
ziekteA1
enfermedad
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zienA1
ver
Ik zie je morgen.
zijnA1
ser, estar
Ik ben blij dat je er bent.
zingenA2
cantar
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1
estar sentado
Zij zit op de bank.
zoA1
así
Doe het zo.
zoekenA2
buscar
Ik zoek mijn sleutels.
zoetA2
dulce
Deze appel is heel zoet.
zolderA1
desván
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
verano
In de zomer gaan we naar het strand.
zondagA1
domingo
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonderA1
sin
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zoonA1
hijo
Hun zoon gaat naar school.
zorgenA2
encargarse; cuidar
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zoutA1
sal
Er zit te veel zout in.
zullenA1
ir a (futuro)
Zullen we koffie drinken?
zusA1
hermana
Ik bel mijn zus elke week.

