Vocabulario
1230 palabras · página 47 de 50
werkdagA2
jornada laboral
Het was een lange werkdag.
werkenA1
trabajar
Zij werkt in een ziekenhuis.
werkgeverA2
empleador
Mijn werkgever betaalt de cursus.
werkinstructieA2
instrucción de trabajo
Lees de werkinstructie goed door.
werkomgevingA2
entorno de trabajo
Ik heb een prettige werkomgeving.
werkoverzichtA2
resumen de trabajo
Maak elke maandag een werkoverzicht.
werkplanA2
plan de trabajo
We maken eerst een werkplan.
werkplekA2
puesto de trabajo
Mijn werkplek is bij het raam.
werktijdA2
horario laboral
Mijn werktijd is van acht tot vijf.
werkweekA2
semana laboral
Een werkweek is hier 36 uur.
wetenA1
saber
Ik weet het niet.
wieA1
quién
Wie is dat?
willenA1
querer
Ik wil graag koffie.
winkelA2
tienda
De winkel is op zondag gesloten.
winkelcentrumA2
centro comercial
Het winkelcentrum is net verbouwd.
winkelierA2
comerciante
De winkelier kent al zijn klanten.
winkelketenA2
cadena de tiendas
Deze winkelketen heeft filialen door het hele land.
winkelmandjeA2
cesta de la compra
Voor een paar dingen pak ik een winkelmandje.
winkelpersoneelA2
personal de la tienda
Het winkelpersoneel helpt je graag.
winkeltijdenA2
horario comercial
De winkeltijden staan op de deur.
winkelwagenA2
carrito
Voor een winkelwagen heb je een muntje nodig.
winterA1
invierno
De winter is hier nat en koud.
wisselenA2
cambiar (dinero)
Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?
witA1
blanco
De muren zijn wit geverfd.
woensdagA1
miércoles
Woensdag zijn de kinderen vrij.

