Vocabulario
3891 palabras · página 39 de 156
de examenkostenB1
tasas de examen
De examenkosten betaal je zelf.
de examenstofB1
temario del examen
De examenstof staat in de studiegids.
de examenstressB1
estrés de exámenes
Veel studenten hebben last van examenstress.
de examentrainingB1
curso de preparación del examen
De examentraining duurt vier weken.
de examenuitslagB1
resultado del examen
De examenuitslag komt over vier weken.
de examenvoorbereidingB1
preparación del examen
De examenvoorbereiding duurt twee maanden.
de examenvraagB1
pregunta de examen
Elke examenvraag heeft vier antwoorden.
de excursieB1
excursión
De school organiseert een excursie naar het museum.
de excusesB2
disculpas
Het bedrijf bood schriftelijk excuses aan.
het excuusB1
disculpa; excusa
Hij bood zijn excuses aan voor het late antwoord.
de expertB1
experto (especialista)
Een expert legt op tv uit wat er gebeurd is.
de expositieruimteB2
sala de exposición
De expositieruimte is opnieuw ingericht.
de faalangstB2
miedo al fracaso
Door faalangst presteert hij onder zijn niveau.
de factuurA2
factura
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
het factuurnummerB2
número de factura
Vermeld altijd het factuurnummer bij de betaling.
de faculteitB2
facultad
Hij studeert aan de faculteit rechten.
het faillissementB2
quiebra
Na het faillissement verloren dertig mensen hun baan.
de familieA1
familia
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
visita familiar
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
familiar
Er komt een familielid op bezoek.
de fanA2
fan, aficionado
Mijn zoon is een grote fan van deze voetballer.
de faseB1
fase
Het project zit nu in de laatste fase.
februariA1
febrero
In februari is het meestal koud.
het feestA1
fiesta
Zaterdag is er een feest.
de feestdagB1
día festivo
Op feestdagen zijn de winkels dicht.

