Vocabulario
Filtros
Secciones
Categorías gramaticales
2021 palabras · página 36 de 81
leertempoA2
ritmo de aprendizaje
Iedereen heeft zijn eigen leertempo.
leesopdrachtB1
tarea de lectura
Bij elke leesopdracht horen vijf vragen.
leestekstB1
texto de lectura
Elke leestekst heeft vier vragen.
leesvaardigheidB1
comprensión lectora
Mijn leesvaardigheid is beter dan mijn spreekvaardigheid.
leggenA1
poner (acostado)
Leg het boek op tafel.
legitimatieB1
identificación
Bij de balie moet u legitimatie tonen.
leidinggevendeB1
jefe
Bespreek dat met je leidinggevende.
lekkerA2
rico, agradable
Deze soep is heel lekker.
lelijkA1
feo
Dat gebouw vind ik lelijk.
lenenA2
prestar; pedir prestado
Kan ik tien euro van je lenen?
leningB1
préstamo
Hij sloot een lening af voor de auto.
lenteA1
primavera
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
cuchara
Ik eet soep met een lepel.
leraarA2
maestro
De leraar legt het nog een keer uit.
lerenA2
aprender; enseñar
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lesmateriaalA2
material didáctico
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
lesmethodeB1
método didáctico
Deze lesmethode werkt goed voor volwassenen.
lesroosterA2
horario de clases
Het lesrooster hangt bij de ingang.
lesuitvalB1
clases suspendidas
Door ziekte was er veel lesuitval.
lesuurA2
hora lectiva
Een lesuur duurt vijftig minuten.
lesvoorbereidingB1
preparación de la clase
De lesvoorbereiding kost de docent veel tijd.
letterA1
letra
Schrijf je naam met grote letters.
leukA1
agradable, divertido
Dat was een leuke avond.
levenA1
vida; vivir
Het leven hier is heel anders.
leveringA2
entrega
De levering duurt drie werkdagen.

