Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

1053 palabras · página 32 de 43

  • de slaA1

    lechuga

    Er ligt sla in de koelkast.

  • de slaapA1

    sueño

    Ik heb te weinig slaap gehad.

  • het slaapgebrekA2

    falta de sueño

    Door slaapgebrek kan ik me slecht concentreren.

  • de slaapkamerA1

    dormitorio

    Wij hebben twee slaapkamers.

  • het slachtofferA1

    víctima

    Het slachtoffer is aanspreekbaar.

  • de slagerA2

    carnicería

    Bij de slager is het vlees beter.

  • de sleutelA2

    llave

    Ik ben mijn sleutel kwijt.

  • het sleutelbosA1

    manojo de llaves

    Mijn sleutelbos ligt op de kast.

  • de smaakA2

    sabor

    De smaak is een beetje zoet.

  • de snackA2

    tentempié

    Neem een gezonde snack mee.

  • de snelwegA2

    autopista

    Op de snelweg mag je honderd.

  • de snijplankA2

    tabla de cortar

    Snijd de groente op de snijplank.

  • het snoepA1

    dulces

    Kinderen eten te veel snoep.

  • de soepA1

    sopa

    De soep is nog te heet.

  • de sokA1

    calcetín

    Ik kan mijn sokken niet vinden.

  • de sollicitatieA2

    solicitud de empleo

    Mijn sollicitatie is afgewezen.

  • het sollicitatiegesprekA2

    entrevista de trabajo

    Ik heb morgen een sollicitatiegesprek.

  • soortA1

    especie; tipo

    Deze soort staat op de rode lijst.

  • het spaargeldA2

    ahorros

    We gebruiken ons spaargeld voor de verbouwing.

  • de spaarpotA2

    hucha

    De kinderen sparen in een spaarpot.

  • de spanningA2

    tensión

    Er hing spanning in de kamer.

  • het spelA2

    juego (de mesa, de ordenador)

    We spelen op zondag vaak een spel met de kinderen.

  • de spelerA2

    jugador

    Elke speler krijgt aan het begin vijf kaarten.

  • de spiegelA1

    espejo

    Er hangt een spiegel in de gang.

  • de spierA1

    músculo

    Na het sporten doen mijn spieren pijn.