Vocabulario
Filtros
Secciones
Categorías gramaticales
2021 palabras · página 3 de 81
afsprekenB1
quedar, acordar
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
aftrekpostB1
deducción fiscal
Studiekosten waren vroeger een aftrekpost.
afvalA2
basura
Het afval wordt op dinsdag opgehaald.
afvalbakB1
papelera
Gooi het in de afvalbak.
afvalcontainerB1
contenedor de basura
De afvalcontainer wordt woensdag geleegd.
afvalinzamelingB1
recogida de residuos
De afvalinzameling is op donderdag.
afwassenA2
fregar los platos
Wie wast er vanavond af?
afwezigA2
ausente
Hij was vorige week afwezig.
afwijzenB1
rechazar, denegar
Mijn aanvraag is afgewezen.
afzenderB1
remitente
De afzender staat op de achterkant.
afzenderadresB1
dirección del remitente
Zet je afzenderadres op de envelop.
agendaA2
agenda
Ik zet de afspraak in mijn agenda.
alA1
ya
Ben je er nu al?
alcoholB1
alcohol
Drink geen alcohol bij deze medicijnen.
allebeiA1
ambos
Wij werken allebei fulltime.
alleenA1
solo; solamente
Ik woon alleen.
alleenstaandA1
soltero
Zij is een alleenstaande moeder.
allemaalA1
todos
We gaan allemaal mee.
allergieA2
alergia
Ik heb een allergie voor noten.
allesA1
todo
Alles is klaar.
alsA1
si, cuando
Als het regent, blijven we binnen.
alsjeblieftA1
por favor; aquí tienes
Hier is je koffie, alsjeblieft.
alternatiefB1
alternativa
Is er een alternatief voor de auto?
altijdA1
siempre
Hij komt altijd te laat.
ambitieB1
ambición
Zij heeft de ambitie om leidinggevende te worden.

