Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

1230 palabras · página 26 de 50

  • morgenA1

    mañana

    Morgen begin ik vroeg.

  • muntA2

    moneda

    Heb je een munt van twee euro?

  • muntgeldA2

    monedas

    Voor de kar heb je muntgeld nodig.

  • muurA1

    pared

    Aan de muur hangt een schilderij.

  • muziekA1

    música

    Ik luister graag naar muziek.

  • naA1

    después de

    Na het eten gaan we wandelen.

  • naamA1

    nombre

    Wat is jouw naam?

  • naarA1

    a, hacia

    Ik ga naar mijn werk.

  • naastA1

    al lado de

    Hij zit naast mij.

  • nachtA1

    noche

    Vannacht heb ik slecht geslapen.

  • nachtdienstA2

    turno de noche

    Deze week heb ik nachtdienst.

  • nadenkenA2

    reflexionar

    Ik moet er nog even over nadenken.

  • nagelA1

    uña

    Mijn nagels zijn te lang.

  • nagerechtA2

    postre

    Als nagerecht is er ijs.

  • namelijkA2

    es que, a saber

    Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.

  • natA1

    mojado

    Mijn jas is helemaal nat.

  • neefA1

    primo, sobrino

    Mijn neef is even oud als ik.

  • negenA1

    nueve

    De winkel opent om negen uur.

  • negentigA1

    noventa

    Hij werd negentig jaar oud.

  • nekA1

    cuello

    Ik heb een stijve nek.

  • nemenA1

    tomar

    Ik neem de trein van acht uur.

  • nergensA2

    en ningún sitio

    Ik kan het nergens vinden.

  • netA1

    justo ahora

    Hij is net weggegaan.

  • netjesA1

    ordenado

    Je kamer ziet er netjes uit.

  • neusA1

    nariz

    Mijn neus is verstopt.