Vocabulario
1230 palabras · página 25 de 50
merkenA2
notar
Ik merk dat het beter gaat.
mesA1
cuchillo
Dit mes is niet scherp.
metA1
con
Ik ga met de fiets.
meteenA1
enseguida
Ik kom er meteen aan.
metroA2
metro
In Amsterdam kun je met de metro.
meubelsA2
muebles
We hebben nieuwe meubels gekocht.
middagA1
tarde
We eten om twaalf uur 's middags.
middernachtA1
medianoche
De trein rijdt tot middernacht.
minderA1
menos
Ik werk nu minder uren.
minimumloonA2
salario mínimo
Hij verdient het minimumloon.
minuutA1
minuto
Wacht even, nog één minuut.
misschienA2
quizás
Misschien kom ik later.
misselijkA2
con náuseas
Ik voel me een beetje misselijk.
missenA2
perder; echar de menos
Ik heb de bus gemist.
moeA1
cansado
Ik ben vandaag heel moe.
moederA1
madre
Mijn moeder woont in Utrecht.
moedigA2
valiente
Dat was een moedige beslissing.
moeilijkA1
difícil
Nederlands is soms moeilijk.
moetenA1
tener que
Ik moet nu weg.
mogelijkA2
posible
Is het mogelijk om later te komen?
mogelijkheidA2
posibilidad
Er is nog een andere mogelijkheid.
mogenA1
poder (permiso)
Mag ik hier zitten?
momentA1
momento
Een moment, ik kom eraan.
mondA1
boca
Doe je mond open, zegt de tandarts.
mooiA1
bonito
Wat een mooie foto!

