Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

1756 palabras · página 25 de 71

  • het huurcontractA2

    contrato de alquiler

    Lees het huurcontract goed door.

  • de huurderA2

    inquilino

    De huurder moet kleine reparaties zelf doen.

  • de huurtoeslagA2

    ayuda al alquiler

    Ik ontvang huurtoeslag van de Belastingdienst.

  • de huurverhogingA2

    subida del alquiler

    De huurverhoging gaat in juli in.

  • het huwelijkA1

    matrimonio, boda

    Hun huwelijk was in juni.

  • het ideeA1

    idea

    Dat is een goed idee.

  • het identiteitsbewijsA2

    documento de identidad

    Neem een geldig identiteitsbewijs mee.

  • iedereA1

    cada

    Iedere maandag heb ik les.

  • iedereenA1

    todo el mundo, todos

    Iedereen is welkom.

  • iemandA1

    alguien

    Er staat iemand voor de deur.

  • ietsA1

    algo

    Wil je iets drinken?

  • het ijsA1

    hielo, helado

    De kinderen willen een ijsje.

  • inA1

    en

    Het zit in de kast.

  • de inburgeringA2

    integración cívica

    De inburgering is verplicht voor veel nieuwkomers.

  • de inburgeringsplichtA2

    obligación de integración

    Voor veel nieuwkomers geldt een inburgeringsplicht.

  • de INDA2

    servicio de inmigración

    De IND beslist over je verblijfsaanvraag.

  • inderdaadA2

    efectivamente

    Dat klopt inderdaad.

  • de industrieA2

    industria

    De industrie verbruikt veel energie.

  • ineensA2

    de golpe

    Ineens ging het licht in het hele huis uit.

  • de informatieA1

    información

    Meer informatie vind je op de website.

  • het ingrediëntA2

    ingrediente

    Welke ingrediënten heb je nodig?

  • het inkomenA2

    ingresos

    Zijn inkomen is dit jaar gestegen.

  • inleverenA2separable

    leverde in · hebben ingeleverd

    entregar (un trabajo)

    Je moet je huiswerk voor vrijdag inleveren.

  • inloggenA2separable

    logde in · hebben ingelogd

    iniciar sesión

    Log in met je e-mailadres.

  • inpakkenA2separable

    pakte in · hebben ingepakt

    empacar; envolver

    Morgen gaan we op vakantie, dus ik moet nog inpakken.