Vocabulario
796 palabras · página 25 de 32
sprekenA1irregular
sprak · spraken · hebben gesproken
hablar
Spreekt u Nederlands?
springenA1irregular
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
saltar
Hij sprong over de sloot.
de spullenA1
cosas
Neem je spullen mee.
staanA1irregular
stond · stonden · hebben gestaan
estar de pie
De auto staat voor het huis.
poner, decir (en un texto)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
de stadA1
ciudad
Amsterdam is een grote stad.
sterkA1
fuerte
Hij is heel sterk.
fuerte, cargado (café o té)
Ik drink 's ochtends graag sterke koffie.
de stiefmoederA1
madrastra
Zijn stiefmoeder woont bij hen in huis.
stilA1
silencioso
Wees even stil, alsjeblieft.
de stoelA1
silla
Neem een stoel en ga zitten.
het stopcontactA1
enchufe
Er is hier geen stopcontact.
stoppenA1
stopte · hebben/zijn gestopt
parar, dejar de
Hij is gestopt met roken.
de straatA1
calle
Ik woon in een rustige straat.
straksA1
luego
Ik bel je straks even terug.
de stroopwafelA1
gofre de sirope
Een stroopwafel bij de koffie is heerlijk.
de studentA1
estudiante
Als student krijg je korting.
het stukA1
trozo
Wil je een stuk taart?
roto, averiado
De lift is al een week stuk.
sturenA1
stuurde · hebben gestuurd
enviar
Ik stuur je vanavond een bericht.
suikervrijA1
sin azúcar
Deze thee is suikervrij.
de taalA1
idioma
Nederlands is een moeilijke taal.
de taartA1
tarta
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
tachtigA1
ochenta
Mijn oma is tachtig jaar.
de tafelA1
mesa
Het eten staat op tafel.
de tandA1
diente
Er is een tand afgebroken.
de tandenborstelA1
cepillo de dientes
Vergeet je tandenborstel niet.
de tanteA1
tía
Mijn tante komt op bezoek.

