Vocabulario
612 palabras · página 25 de 25
zoA1
así
Doe het zo.
zolderA1
desván
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
verano
In de zomer gaan we naar het strand.
zondagA1
domingo
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonderA1
sin
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zoonA1
hijo
Hun zoon gaat naar school.
zoutA1
sal
Er zit te veel zout in.
zullenA1
ir a (futuro)
Zullen we koffie drinken?
zusA1
hermana
Ik bel mijn zus elke week.
zwagerA1
cuñado
Mijn zwager woont in Rotterdam.
zwakA1
débil
Na de griep voelde ik me zwak.
zwartA1
negro
Hij heeft zwarte schoenen aan.

