Vocabulario
2767 palabras · página 24 de 111
eerderA2
antes; más bien
Kun je morgen iets eerder komen?
eergisterenA1
anteayer
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerlijkA2
sincero; justo
Wees eerlijk, vind je mijn nieuwe kapsel mooi?
eerstA1
primero, en primer lugar
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
primero
Dit is mijn eerste dag hier.
de eerstelijnszorgB1
atención primaria
De huisarts hoort bij de eerstelijnszorg.
de eetgewoonteA2
hábito alimentario
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
de eetlustA2
apetito
Door de koorts heb ik geen eetlust.
de eeuwB1
siglo
Dit kasteel is gebouwd in de zestiende eeuw.
het effectB1
efecto
Het medicijn had snel effect op mijn hoofdpijn.
de EHBOA2
primeros auxilios
Zij volgde een cursus EHBO.
het eiA1
huevo
Ik eet 's ochtends een ei.
eigenA2
propio
Na mijn studie wil ik een eigen huis.
de eigenaarB1
propietario, dueño
De eigenaar van het huis wil de huur verhogen.
eigenlijkA1
en realidad
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
het eilandA1
isla
Het eiland is per veerboot bereikbaar.
het eindeA2
final, fin
Aan het einde van de straat is een bakker.
eindelijkA2
por fin
Eindelijk is de brief er.
eindigenB1
eindigde · zijn geëindigd
terminar, acabar
De film eindigt met een mooie bruiloft.
de eindtoetsA2
prueba final
De eindtoets is in juni.
eisenA2
eiste · hebben geëist
exigir
De bond eist een hoger loon.
de eisen
requisitos, exigencias (plural de eis)
De school stelt hoge eisen aan het schrijven.
de elektriciteitA2
electricidad
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
elektrischB1
eléctrico
Steeds meer mensen rijden in een elektrische auto.
elfA1
once
De winkel sluit om elf uur.
elkA1
cada (elk)
Elk kind krijgt een klein cadeautje van de juf.

