Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

1230 palabras · página 23 de 50

  • lichtA1

    luz

    Doe het licht even aan.

  • lieverA1

    preferiblemente

    Ik drink liever thee.

  • liftA2

    ascensor

    De lift is kapot.

  • liggenA1

    estar tumbado, hallarse

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1

    parecer

    Het lijkt me een goed idee.

  • lijstA2

    lista

    Zet het op de lijst.

  • limonadeA1

    refresco

    De kinderen krijgen limonade.

  • linksA1

    izquierda

    Sla bij de kerk links af.

  • lipA1

    labio

    Mijn lippen zijn droog van de kou.

  • literA2

    litro

    We hebben een liter melk nodig.

  • longA1

    pulmón

    Roken is slecht voor je longen.

  • loonA2

    sueldo

    Het loon wordt per week uitbetaald.

  • lopenA1

    caminar

    Ik loop elke dag naar mijn werk.

  • luchthavenA2

    aeropuerto

    Schiphol is de grootste luchthaven van Nederland.

  • luciferA1

    cerilla

    Heb je een lucifer?

  • luisterenA2

    escuchar

    Luister goed naar de vraag.

  • lukkenA2

    salir bien, lograrse

    Het is me gelukt!

  • lunchA1

    almuerzo

    De lunch is om half een.

  • maagA1

    estómago

    Ik heb last van mijn maag.

  • maaltijdA2

    comida (plato)

    Dit is de belangrijkste maaltijd van de dag.

  • maandA1

    mes

    Volgende maand ga ik op vakantie.

  • maandagA1

    lunes

    Op maandag begin ik om negen uur.

  • maandbedragA2

    importe mensual

    Het maandbedrag is 45 euro.

  • maandelijksA1

    mensualmente

    De huur betaal je maandelijks.

  • maarA1

    pero

    Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.