Vocabulario
62 palabras · página 2 de 3
lijkenA1
parecer
Het lijkt me een goed idee.
lopenA1
caminar
Ik loop elke dag naar mijn werk.
makenA1
hacer, fabricar
Ik maak het eten klaar.
moetenA1
tener que
Ik moet nu weg.
mogenA1
poder (permiso)
Mag ik hier zitten?
naarA1
a, hacia
Ik ga naar mijn werk.
nemenA1
tomar
Ik neem de trein van acht uur.
openenA1
abrir
De winkel opent om negen uur.
pakkenA1
coger
Pak even een glas voor me.
poetsenA1
cepillar, limpiar
Poets je tanden twee keer per dag.
pratenA1
hablar, charlar
We praten straks verder.
radenA1
adivinar
Raad eens wie ik zag!
reizenA1
viajar
Ik reis elke dag met de trein.
rennenA1
correr
De kinderen rennen door de tuin.
roepenA1
llamar, gritar
Roep me als je klaar bent.
scheidenA1
divorciarse
Mijn ouders zijn gescheiden.
sluitenA1
cerrar
De deur sluit automatisch.
spelenA1
jugar
De kinderen spelen in de tuin.
springenA1
saltar
Hij sprong over de sloot.
staanA1
estar de pie
De auto staat voor het huis.
sturenA1
enviar
Ik stuur je vanavond een bericht.
tellenA1
contar
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
trouwenA1
casarse
Zij gaan in juni trouwen.
vallenA1
caer
Pas op, je valt bijna.
verkopenA1
vender
Ze verkopen hier verse groente.

