Vocabulario
804 palabras · página 18 de 33
mondA1
boca
Doe je mond open, zegt de tandarts.
muntA2
moneda
Heb je een munt van twee euro?
muntgeldA2
monedas
Voor de kar heb je muntgeld nodig.
muurA1
pared
Aan de muur hangt een schilderij.
muziekA1
música
Ik luister graag naar muziek.
naamA1
nombre
Wat is jouw naam?
naastA1
al lado de
Hij zit naast mij.
nachtA1
noche
Vannacht heb ik slecht geslapen.
nachtdienstA2
turno de noche
Deze week heb ik nachtdienst.
nagelA1
uña
Mijn nagels zijn te lang.
nagerechtA2
postre
Als nagerecht is er ijs.
natA1
mojado
Mijn jas is helemaal nat.
neefA1
primo, sobrino
Mijn neef is even oud als ik.
nekA1
cuello
Ik heb een stijve nek.
netjesA1
ordenado
Je kamer ziet er netjes uit.
neusA1
nariz
Mijn neus is verstopt.
nichtA1
prima, sobrina
Mijn nicht woont in Rotterdam.
nierA1
riñón
Hij heeft problemen met zijn nieren.
nogmaalsA1
una vez más
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nootA1
nuez
Ik ben allergisch voor noten.
novemberA1
noviembre
November is een donkere maand.
nummerA1
número
Wat is je telefoonnummer?
ochtendA1
mañana (parte del día)
In de ochtend drink ik koffie.
oefeningA2
ejercicio
Maak oefening drie op bladzijde tien.
oefentoetsA2
prueba de práctica
Maak eerst een oefentoets.

