Vocabulario
804 palabras · página 15 de 33
kortingskaartA2
tarjeta de descuento
Met een kortingskaart reis je goedkoper.
kostenA2
costes
De kosten vallen mee.
kraanA2
grifo
De kraan lekt al een week.
krantA1
periódico
Mijn vader leest elke dag de krant.
kruidenA2
hierbas, especias
Doe er wat kruiden bij.
kussenA1
almohada, cojín
Dit kussen is te hard.
kwaliteitA2
calidad
De kwaliteit is goed voor die prijs.
kwartierA1
cuarto de hora
Het duurt nog een kwartier.
laagA1
bajo
De prijs is nu laag.
laatsteA1
último
Dit is de laatste bus.
lakenA1
sábana
De lakens moeten in de was.
lampA1
lámpara
De lamp in de gang is kapot.
landA1
país
Uit welk land kom je?
langA1
largo
Het duurt niet lang.
laterA1
más tarde
We bellen later wel even.
leerboekA2
libro de texto
Neem je leerboek mee naar de les.
leertempoA2
ritmo de aprendizaje
Iedereen heeft zijn eigen leertempo.
lenteA1
primavera
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
cuchara
Ik eet soep met een lepel.
leraarA2
maestro
De leraar legt het nog een keer uit.
lesmateriaalA2
material didáctico
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
lesroosterA2
horario de clases
Het lesrooster hangt bij de ingang.
lesuurA2
hora lectiva
Een lesuur duurt vijftig minuten.
letterA1
letra
Schrijf je naam met grote letters.
levenA1
vida; vivir
Het leven hier is heel anders.

