Vocabulario
1230 palabras · página 13 de 50
geldA2
dinero
Ik heb geen geld bij me.
geldautomaatA2
cajero automático
Er staat een geldautomaat bij de supermarkt.
geldbedragA2
cantidad de dinero
Vul het geldbedrag in cijfers in.
geldenA2
regir, aplicarse
Deze regel geldt voor iedereen.
geldzorgenA2
problemas de dinero
Veel gezinnen hebben geldzorgen.
gelijkA1
razón; igual
Je hebt gelijk.
gelovenA1
creer
Ik geloof je wel.
geluidsoverlastA2
molestias por ruido
We hebben veel geluidsoverlast van de buren.
gelukA1
suerte, felicidad
Veel geluk met je nieuwe baan!
gelukkigA2
feliz; afortunadamente
Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.
gemeubileerdA2
amueblado
Wij zoeken een gemeubileerde woning.
gemiddeldA2
de media
Ik werk gemiddeld dertig uur per week.
genezenA2
curar(se)
De wond is goed genezen.
genoegA1
suficiente
Er is genoeg eten voor iedereen.
gerechtA2
plato
Dit gerecht is een specialiteit hier.
gereedschapA1
herramientas
Het gereedschap ligt in de schuur.
geschiktA2
adecuado
Deze woning is geschikt voor een gezin.
gestrestA2
estresado
Voor het examen was ik erg gestrest.
getalA1
número (cifra)
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
casado
Zij is al tien jaar getrouwd.
gevenA1
dar
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gevolgA2
consecuencia
Dat heeft grote gevolgen voor ons.
gewondA2
herido
Bij het ongeluk raakte niemand gewond.
gewoonteA2
costumbre
Vroeg opstaan is een goede gewoonte.
gezichtA1
cara
Was je gezicht met koud water.

