Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

612 palabras · página 13 de 25

  • meiA1

    mayo

    Mijn verjaardag is in mei.

  • meisjeA1

    chica

    Het meisje speelt buiten.

  • melkA1

    leche

    Wil je melk in je koffie?

  • mensA1

    persona

    Hij is een aardig mens.

  • mensenA1

    gente

    Er waren veel mensen op het feest.

  • mesA1

    cuchillo

    Dit mes is niet scherp.

  • metA1

    con

    Ik ga met de fiets.

  • meteenA1

    enseguida

    Ik kom er meteen aan.

  • middagA1

    tarde

    We eten om twaalf uur 's middags.

  • middernachtA1

    medianoche

    De trein rijdt tot middernacht.

  • minderA1

    menos

    Ik werk nu minder uren.

  • minuutA1

    minuto

    Wacht even, nog één minuut.

  • moeA1

    cansado

    Ik ben vandaag heel moe.

  • moederA1

    madre

    Mijn moeder woont in Utrecht.

  • moeilijkA1

    difícil

    Nederlands is soms moeilijk.

  • moetenA1

    tener que

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1

    poder (permiso)

    Mag ik hier zitten?

  • momentA1

    momento

    Een moment, ik kom eraan.

  • mondA1

    boca

    Doe je mond open, zegt de tandarts.

  • mooiA1

    bonito

    Wat een mooie foto!

  • morgenA1

    mañana

    Morgen begin ik vroeg.

  • muurA1

    pared

    Aan de muur hangt een schilderij.

  • muziekA1

    música

    Ik luister graag naar muziek.

  • naA1

    después de

    Na het eten gaan we wandelen.

  • naamA1

    nombre

    Wat is jouw naam?