Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

7809 palabras · página 120 de 313

  • de irritatieB2

    irritación

    Zijn opmerking wekte irritatie op.

  • irriterenB2

    irriteerde · hebben geïrriteerd

    irritar

    Dat geluid irriteert mij mateloos.

  • de islamB2

    islam

    De islam is na het christendom de grootste godsdienst in Nederland.

  • islamitischB2

    islámico

    Er zijn ook islamitische basisscholen in Nederland.

  • de ISO-normB2

    norma ISO

    Het bedrijf werkt volgens een ISO-norm.

  • de isolatieA2

    aislamiento (térmico)

    Betere isolatie verlaagt de energierekening.

  • het isolatieglasB2

    vidrio aislante

    Isolatieglas scheelt flink op de rekening.

  • het isolatiemateriaalB2

    material aislante

    Goed isolatiemateriaal verlaagt de energierekening.

  • het isolementB2

    aislamiento

    Sociaal isolement is slecht voor de gezondheid.

  • isolerenB1

    isoleerde · hebben geïsoleerd

    aislar

    Wij laten het dak isoleren om energie te besparen.

  • IsraëlischB2

    israelí

    De Israëlische regering reageerde op de kritiek.

  • ItaliaansB2

    italiano

    We gaan vanavond eten bij een Italiaans restaurant.

  • jaA1

    sí

    Ja, ik kom morgen graag naar je feest.

  • het jaarA1

    año

    Een jaar heeft twaalf maanden.

  • de jaarafrekeningB2

    liquidación anual

    Bij de jaarafrekening krijg je geld terug of moet je bijbetalen.

  • jaarlijksA1

    anualmente

    Er is jaarlijks een buurtfeest.

  • de jaaropgaveB1

    certificado anual de ingresos

    Bewaar je jaaropgave voor de belastingaangifte.

  • de jaarrekeningB2

    cuentas anuales

    De jaarrekening wordt in mei gepubliceerd.

  • de jachtB1

    caza

    De jacht op wolven is in Nederland verboden.

  • jagenB1

    jaagde · hebben gejaagd

    cazar

    In dit bos mag niet worden gejaagd.

  • jaloersA2

    celoso, envidioso

    Hij is een beetje jaloers op zijn broer.

  • de jaloezieB2

    celos

    Jaloezie is zelden een goede raadgever.

  • de jamA1

    mermelada

    Ik eet brood met jam.

  • jammerA2

    qué pena, lástima

    Wat jammer dat je niet naar het feest kunt komen.

  • jankenB2

    jankte · hebben gejankt

    aullar, gimotear; llorar

    De hond jankte toen hij alleen thuis was.