Vocabulario
804 palabras · página 11 de 33
helftA1
la mitad
De helft van de klas was ziek.
herfstA1
otoño
In de herfst waait het vaak hard.
herhalingA2
repaso
Volgende week is er een herhaling van de grammatica.
hersenenA1
cerebro
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
herstelA2
recuperación
Beterschap en een goed herstel!
heupA1
cadera
Mijn oma heeft een nieuwe heup.
hoekA1
esquina
De bakker zit om de hoek.
hoelangA1
cuánto tiempo
Hoelang woon je al in Nederland?
hoestdrankA2
jarabe para la tos
Neem 's avonds wat hoestdrank.
hoeveelA1
cuánto
Hoeveel kost dit?
hoeveelheidA2
cantidad
Gebruik een kleine hoeveelheid zout.
hongerA1
hambre
Ik heb honger.
honingA1
miel
Doe wat honing in je thee.
hoofdA1
cabeza
Mijn hoofd doet pijn.
hoofdgerechtA2
plato principal
Het hoofdgerecht was vis met groente.
hoofdpijnA2
dolor de cabeza
Ik heb de hele dag hoofdpijn.
horlogeA1
reloj de pulsera
Mijn horloge loopt achter.
houdbaarA2
que se conserva
De melk is nog twee dagen houdbaar.
houdbaarheidsdatumA2
fecha de caducidad
Kijk even naar de houdbaarheidsdatum.
huidA1
piel
Bescherm je huid tegen de zon.
huisA1
casa
Ik woon in een klein huis.
huisapotheekA2
botiquín doméstico
Zorg voor een goede huisapotheek.
huisartsassistenteA2
auxiliar del médico de cabecera
De huisartsassistente maakt de afspraak.
huisartsenpostA2
servicio de urgencias de atención primaria
's Avonds belt u de huisartsenpost.
huisbaasA2
casero
Ik heb de huisbaas gebeld over de kraan.

