Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

430 palabras · página 11 de 18

  • het nummerA1

    número

    Wat is het nummer van je huis?

  • de ochtendA1

    mañana (parte del día)

    In de ochtend drink ik koffie.

  • oktoberA1

    octubre

    In oktober vallen de bladeren.

  • de olijfA1

    aceituna

    Wil je olijven bij de borrel?

  • de omaA1

    abuela

    Mijn oma woont in een klein dorp.

  • het onderzoekA1

    examen, estudio

    Het onderzoek liet niets bijzonders zien.

  • de ontwikkelingA1

    desarrollo

    Er is ruimte voor persoonlijke ontwikkeling.

  • het oogA1

    ojo

    Er zit iets in mijn oog.

  • de oomA1

    tío

    Mijn oom woont in Duitsland.

  • het oorA1

    oreja

    Mijn oor doet pijn.

  • de opaA1

    abuelo

    Mijn opa vertelt graag verhalen.

  • de oudersA1

    padres

    Mijn ouders wonen nog in Polen.

  • de overheidA1

    gobierno

    De overheid heeft nieuwe regels aangekondigd.

  • het paarA1

    par, unos pocos

    Ik blijf nog een paar dagen.

  • het pakjeA1

    paquete

    Er ligt een pakje voor je bij de buren.

  • de papaA1

    papá

    Papa brengt ons morgen met de auto naar school.

  • het papierA1

    papel

    Schrijf het op een blaadje papier.

  • de paprikaA1

    pimiento

    Snijd de paprika in reepjes.

  • de parapluA1

    paraguas

    Neem een paraplu mee, het gaat regenen.

  • het parkA1

    parque

    We wandelen graag in het park.

  • de partnerA1

    pareja

    Mijn partner werkt in het onderwijs.

  • de pastaA1

    pasta

    Vanavond maak ik pasta.

  • de patatA1

    patatas fritas

    Op vrijdag eten we patat.

  • de peerA1

    pera

    Deze peer is heel zoet.

  • de penA1

    bolígrafo

    Heb je een pen voor me?