Vocabulario
396 palabras · página 11 de 16
parkA1
parque
We wandelen graag in het park.
partnerA1
pareja
Mijn partner werkt in het onderwijs.
pastaA1
pasta
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
patatas fritas
Op vrijdag eten we patat.
peerA1
pera
Deze peer is heel zoet.
penA1
bolígrafo
Heb je een pen voor me?
peperA1
pimienta
Doe er wat peper op.
pijnA1
dolor
Heb je veel pijn?
pindakaasA1
mantequilla de cacahuete
Pindakaas is populair in Nederland.
pizzaA1
pizza
Vanavond bestellen we pizza.
plaatsA1
sitio, lugar
Is deze plaats vrij?
plafondA1
techo
Het plafond is net geverfd.
plantA1
planta
Vergeet de planten niet water te geven.
pleinA1
plaza
Op het plein is elke week markt.
polsA1
muñeca
Ik heb mijn pols verstuikt.
portemonneeA1
cartera
Mijn portemonnee zit in mijn tas.
postzegelA1
sello
Je hebt een postzegel nodig voor deze brief.
preiA1
puerro
Doe wat prei in de soep.
prullenbakA1
papelera
Gooi het papier in de prullenbak.
raamA1
ventana
Het raam staat open.
rijstA1
arroz
We eten vanavond rijst met groente.
rommelA1
desorden
Wat een rommel in deze kamer!
roodA1
rojo
Ze draagt een rode jas.
roomA1
nata
Wil je room bij de koffie?
rozeA1
rosa
Zij draagt een roze jurk.

