Vocabulario
796 palabras · página 10 de 32
groenA1
verde
Het licht is groen, je mag gaan.
de groepA1
grupo
De groep vertrekt om negen uur met de bus.
grootA1
grande
Zij wonen in een groot huis.
het haarA1
pelo
Zij heeft lang haar.
su (de ella)
Anna zoekt haar sleutels in haar tas.
de hagelslagA1
fideos de chocolate
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
halenA1
haalde · hebben gehaald
ir a buscar
Ik haal even brood.
halfA1
medio
Het is half acht.
halloA1
hola; ¿diga?
Hallo, hoe gaat het?
de hamA1
jamón
Ik neem een boterham met ham.
de handA1
mano
Was je handen voor het eten.
de handdoekA1
toalla
De handdoek hangt in de badkamer.
handigA1
práctico
Dat is een handige app.
hardA1
duro; fuerte
Het bed is te hard.
het hartA1
corazón
Mijn hart klopt snel.
de hartslagA1
latido, pulso
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.
hatenA1
haatte · hebben gehaat
odiar
Hij haat vergaderingen.
hebbenA1irregular
had · hadden · hebben gehad
tener
Wij hebben twee kinderen.
(auxiliar del pretérito perfecto: haber)
Ik heb de brief gisteren al geschreven.
heelA1
muy; entero
Het is heel warm vandaag.
het hekA1
valla, verja
Doe het hek achter je dicht.
de helftA1
la mitad
De helft van de klas was ziek.
helpenA1irregular
hielp · hielpen · hebben geholpen
ayudar
Kun je me even helpen?
de herfstA1
otoño
In de herfst waait het vaak hard.
de hersenenA1
cerebro
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
hetenA1irregular
heette · heetten · hebben geheten
llamarse
Hoe heet jij?
de heupA1
cadera
Mijn oma heeft een nieuwe heup.

