Vocabulario
1053 palabras · página 10 de 43
de elektriciteitA2
electricidad
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
de elleboogA1
codo
Ik heb mijn elleboog gestoten.
de emmerA1
cubo
Vul de emmer met water.
de energieA1
energía
De prijzen voor energie zijn gestegen.
het energielabelA2
certificado energético
Dit huis heeft energielabel C.
het EngelsA1
inglés (idioma)
Mijn kinderen spreken thuis Nederlands en op school Engels.
de enkelA1
tobillo
Ik heb mijn enkel verzwikt.
único, alguno; solo
Er is geen enkele reden om je zorgen te maken.
de envelopA1
sobre
Doe de brief in een envelop.
de ervaringA2
experiencia
Voor deze functie is ervaring nodig.
de erwtA1
guisante
In de soep zitten erwten en wortels.
etenA1irregular
at · aten · hebben gegeten
comer
Wij eten meestal om zes uur.
het eten
comida
Nederlands eten is soms heel simpel.
het etiketA2
etiqueta
Kijk even op het etiket.
de euroA1
euro
De euro is in twintig landen betaalmiddel.
de factuurA2
factura
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
de familieA1
familia
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
visita familiar
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
familiar
Er komt een familielid op bezoek.
de fanA2
fan, aficionado
Mijn zoon is een grote fan van deze voetballer.
februariA1
febrero
In februari is het meestal koud.
het feestA1
fiesta
Zaterdag is er een feest.
het feitA1
hecho
Scheid feiten van meningen.
het festivalA2
festival
Elke zomer is er een festival in het park.
de fietsA2
bicicleta
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
de fietsenstallingA2
aparcamiento de bicis
Zet je fiets in de fietsenstalling.
de fietserA2
ciclista
Let goed op de fietser als je rechts afslaat.

