Vocabulario
76 palabras · página 1 de 4
aanA1
en, a
De foto hangt aan de muur.
achtA1
ocho
Ik begin om acht uur.
allesA1
todo
Alles is klaar.
alsA1
si, cuando
Als het regent, blijven we binnen.
alsjeblieftA1
por favor; aquí tienes
Hier is je koffie, alsjeblieft.
bijA1
en casa de, cerca de
Ik ben bij de dokter.
danA1
entonces, luego
Eerst eten, dan afwassen.
derdeA1
tercero
Wij wonen op de derde verdieping.
dertigA1
treinta
Ik ben dertig jaar oud.
doeiA1
chao
Doei, tot morgen!
doorA1
por, a través de
We liepen door het park.
drieA1
tres
De les duurt drie uur.
duizendA1
mil
Er kwamen duizend bezoekers.
eersteA1
primero
Dit is mijn eerste dag hier.
elfA1
once
De winkel sluit om elf uur.
elkaarA1
el uno al otro
We helpen elkaar.
enA1
y
Ik neem brood en kaas.
geenA1
ningún
Ik heb geen tijd.
halloA1
hola
Hallo, hoe gaat het?
hoeA1
cómo
Hoe gaat het met je?
hoewelA2
aunque
Hoewel het regende, gingen we toch.
hoiA1
hola
Hoi, hoe is het?
honderdA1
cien
Dat kost ongeveer honderd euro.
iedereenA1
todos
Iedereen is welkom.
iemandA1
alguien
Er staat iemand voor de deur.

