Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

36 palabras · página 1 de 2

  • alA1

    ya

    Ben je er nu al?

  • alleenA1

    solo; solamente

    Ik woon alleen.

  • altijdA1

    siempre

    Hij komt altijd te laat.

  • binnenA1

    dentro

    Kom binnen, het is koud buiten.

  • bovenA1

    arriba

    De slaapkamers zijn boven.

  • daarA1

    allí

    Daar staat mijn fiets.

  • dichtbijA1

    cerca

    De school is heel dichtbij.

  • dusA1

    así que

    Het is laat, dus ik ga naar huis.

  • eergisterenA1

    anteayer

    Eergisteren was ik bij de dokter.

  • ergA1

    muy; grave

    Dat is erg vervelend.

  • evenA1

    un momento

    Wacht even, ik kom eraan.

  • genoegA1

    suficiente

    Er is genoeg eten voor iedereen.

  • gisterenA1

    ayer

    Gisteren was ik ziek.

  • graagA1

    con gusto

    Ik drink graag koffie.

  • heelA1

    muy; entero

    Het is heel warm vandaag.

  • hierA1

    aquí

    Ik woon hier al drie jaar.

  • jaarlijksA1

    anualmente

    Er is jaarlijks een buurtfeest.

  • lieverA1

    preferiblemente

    Ik drink liever thee.

  • linksA1

    izquierda

    Sla bij de kerk links af.

  • meteenA1

    enseguida

    Ik kom er meteen aan.

  • morgenA1

    mañana

    Morgen begin ik vroeg.

  • netA1

    justo ahora

    Hij is net weggegaan.

  • nogA1

    todavía

    Ik ben nog niet klaar.

  • nooitA1

    nunca

    Ik drink nooit alcohol.

  • nuA1

    ahora

    Ik heb nu geen tijd.