Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
113 palabras · página 1 de 5
aanwezigA2
presente
Je moet minstens 80% aanwezig zijn.
afwezigA2
ausente
Hij was vorige week afwezig.
alleenstaandA1
soltero
Zij is een alleenstaande moeder.
anderA1
otro
Heb je een andere maat?
bekwaamB1
competente
Zij is heel bekwaam in haar vak.
belangrijkA1
importante
Dit is een belangrijke brief.
betrokkenB1
implicado
Alle medewerkers zijn bij het plan betrokken.
bezetA1
ocupado
Deze plaats is bezet.
bezigA2
ocupado
Ik ben nu even bezig.
biologischA2
ecológico
Deze groente is biologisch geteeld.
boosA2
enfadado
Hij was boos op zijn collega.
directB1
directo
Nederlanders zijn vaak heel direct.
drukA2
concurrido, ajetreado
Het is druk in de stad.
duidelijkB1
claro
Is het nu duidelijk?
duurA2
caro
Die telefoon is te duur.
eenzaamA2
solo (solitario)
In het begin voelde hij zich eenzaam.
eindelijkA2
por fin
Eindelijk is de brief er.
enthousiastA2
entusiasmado
De klas was enthousiast over het uitje.
gastvrijB1
hospitalario
Zij zijn heel gastvrij voor bezoek.
gebruikelijkA2
habitual
Het is hier gebruikelijk om af te spreken.
geduldigA2
paciente
De docent is heel geduldig.
geelA1
amarillo
De bloemen in de tuin zijn geel.
geldigB1
válido
Uw paspoort is nog twee jaar geldig.
gelijkA1
razón; igual
Je hebt gelijk.
gelukkigA2
feliz; afortunadamente
Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.

