Vocabulario
7 palabras · página 1 de 1
zeggenA1irregular
zei · zeiden · hebben gezegd
decir
Wat zei je?
zettenA1
zette · hebben gezet
poner (de pie)
Zet de stoel bij het raam.
zienA1irregular
zag · zagen · hebben gezien
ver
Ik zie je morgen.
zijnA1irregular
was · waren · zijn geweest
ser, estar
Ik ben blij dat je er bent.
su (de él)
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.
zittenA1irregular
zat · zaten · hebben gezeten
estar sentado
Zij zit op de bank.
estar (dentro de algo)
De sleutels zitten in de zak van mijn jas.
zoekenA1irregular
zocht · zochten · hebben gezocht
buscar
Ik zoek mijn sleutels.
zullenA1irregular
zou · zouden
ir a (futuro)
Zullen we koffie drinken?

