Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

6 palabras · página 1 de 1

  • zeggenA1

    decir

    Wat zei je?

  • zettenA1

    poner (de pie)

    Zet de stoel bij het raam.

  • zienA1

    ver

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1

    ser, estar

    Ik ben blij dat je er bent.

  • zittenA1

    estar sentado

    Zij zit op de bank.

  • zullenA1

    ir a (futuro)

    Zullen we koffie drinken?